Is de baardvleermuis een beschermde diersoort?
Ja. De baardvleermuis is in Nederland een Europees beschermde diersoort. De soort staat in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn en valt onder artikel 11.46, lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit beschermingsregime is onder meer gericht op het voorkomen van het opzettelijk doden, vangen en verstoren van beschermde dieren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt voor de baardvleermuis eveneens bescherming onder de Omgevingswet en plaatsing in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Op de Nederlandse Rode Lijst Zoogdieren 2020 heeft de baardvleermuis de status ‘thans niet bedreigd’. Dat betekent niet dat verblijfplaatsen zonder meer mogen worden aangetast. De wettelijke soortenbescherming staat los van de Rode Lijst-status.
Bij een bouw-, renovatie- of ander ruimtelijk project waarbij geschikte verblijfplaatsen van de baardvleermuis kunnen worden geraakt, moet daarom worden beoordeeld of beschermde functies aanwezig zijn. Afhankelijk van de situatie kan soortgericht ecologisch onderzoek nodig zijn voordat werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

Kenmerken van de baardvleermuis
De baardvleermuis is klein, donker van kleur en op het eerste gezicht moeilijk te onderscheiden van enkele andere soorten uit het geslacht Myotis. Hieronder lees je meer over het uiterlijk, het leefgebied, de verspreiding, verblijfplaatsen, voeding en echolocatie van de soort.
Uiterlijke kenmerken en afmetingen
De baardvleermuis heeft een donkerbruine tot geelbruine rugvacht en een lichte, grijsachtige buik. De snuit, oren en vlieghuid zijn donkerbruin tot vrijwel zwart. De snuit is smal en spits en ook de oren lopen relatief spits toe.
In het oor bevindt zich een lange, smalle en spitse tragus. Dit is het kraakbenige uitsteeksel aan de binnenzijde van het oor. Samen met de donkere snuit en oren geeft dit de baardvleermuis een kenmerkend donker gezicht. Deze kenmerken worden beschreven in het soortoverzicht van de NDFF Verspreidingsatlas.
De baardvleermuis weegt ongeveer 4 tot 8 gram. De kop-romplengte bedraagt maximaal ongeveer 48 millimeter en de spanwijdte ligt rond 19 tot 23 centimeter. Daarmee behoort de soort tot de kleinste vleermuizen van Nederland.
Verschil tussen de baardvleermuis en de Brandts vleermuis
De gewone baardvleermuis en de Brandts vleermuis lijken sterk op elkaar. In de Europese soortliteratuur worden beide soorten pas sinds de tweede helft van de twintigste eeuw als afzonderlijke soorten behandeld. De huidige NDFF Verspreidingsatlas verwijst hiervoor naar onderzoek uit 1970.
De Brandts vleermuis is gemiddeld iets groter. Betrouwbare verschillen zitten vooral in kenmerken van het gebit en bij mannetjes in de vorm van de penis. Bij volwassen dieren kunnen daarnaast verschillen zichtbaar zijn in de kleur van de vacht en de oorbasis. Die kleurkenmerken zijn echter niet altijd voldoende voor een zekere determinatie.
Ook tijdens de winterslaap is onderscheid lastig. In handleidingen voor wintertellingen worden dieren daarom vaak genoteerd als baardvleermuis/Brandts vleermuis of Myotis mystacinus/brandtii. Ook met een batdetector zijn beide soorten niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden.
Verwarring met de watervleermuis kan eveneens voorkomen. De watervleermuis heeft onder meer duidelijk grotere voeten en doorgaans een lichtere snuit. Bij twijfel zijn meerdere kenmerken nodig voor een betrouwbare determinatie.
Leefgebied van de baardvleermuis
De baardvleermuis komt vooral voor in bossen, langs bosranden en in besloten, kleinschalige landschappen. Tijdens het jagen gebruikt de soort open plekken in en rond het bos, paden, beken en houtwallen. Ook boven graslanden en bij water kan worden gefoerageerd.
Lijnvormige landschapselementen spelen daarbij een belangrijke rol. Bomenrijen, bosranden en houtwallen bieden beschutting en worden gebruikt om zich door het landschap te verplaatsen. Volgens Zodion jaagt het merendeel van de dieren binnen ongeveer 1 tot 3 kilometer van de verblijfplaats.
Bossen met voldoende structuur bieden zowel foerageergebied als mogelijke verblijfplaatsen. Bomen met holten, spleten of loshangende schors kunnen daarbij relevant zijn. Het behouden van oude bomen en staand dood hout vergroot het aanbod van natuurlijke boomverblijfplaatsen.
Verspreiding van de baardvleermuis in Nederland
De baardvleermuis komt verspreid over Nederland voor, maar geldt als vrij zeldzaam. Vooral in de zomer zijn relatief weinig waarnemingen bekend. Een belangrijke reden daarvoor is dat de soort akoestisch lastig van andere Myotis-soorten te onderscheiden is.
De actuele NDFF Verspreidingsatlas laat zien dat het aantal vindplaatsen in de loop van de tijd is toegenomen. Uit deze ontwikkeling kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de populatie even sterk is gegroeid. Ook een grotere onderzoeksinspanning, meer onderzochte winterverblijven en technieken zoals telemetrie kunnen zorgen voor meer waarnemingen.
Tijdens wintertellingen worden baardvleermuizen op veel plaatsen in Nederland gevonden. Baardvleermuis en Brandts vleermuis worden daarbij vaak gezamenlijk geregistreerd, omdat beide soorten in hangpositie niet altijd betrouwbaar van elkaar zijn te onderscheiden. De landelijke wintertrend voor deze soortgroep laat volgens de beschikbare gegevens een matige toename zien.
Verblijfplaatsen van de baardvleermuis
In de zomer gebruikt de baardvleermuis zowel gebouwen als bomen als verblijfplaats. In gebouwen zitten dieren bijvoorbeeld op zolders, tussen balken en dakconstructies, achter gevelbetimmering en achter vensterluiken. Ook vleermuiskasten worden gebruikt.
Een rapport van de Zoogdiervereniging beschrijft kraamgroepen van ongeveer 20 tot 60 dieren, waarbij groepen soms groter dan 100 dieren kunnen worden. De dieren kunnen binnen de kraamperiode gebruikmaken van een netwerk van meerdere verblijfplaatsen en daar regelmatig tussen wisselen.
Ook boomverblijfplaatsen zijn bekend. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om holten in bomen en ruimten achter loshangende schors. Het belang van bomen en gebouwen kan per gebied verschillen.
Van ongeveer oktober tot maart of april gebruikt de baardvleermuis vooral ondergrondse winterverblijven. Voorbeelden zijn mergelgroeven, bunkers, forten, oude steenfabrieken, ijskelders en andere kelders. De dieren kunnen vrij aan een wand hangen of zich terugtrekken in spleten. De soort verdraagt daarbij relatief lage temperaturen.
Voeding en jachtgedrag
Het voedsel van de baardvleermuis bestaat voornamelijk uit kleine, vliegende insecten. Volgens Zodion behoren onder meer dansmuggen, langpootmuggen, steenvliegen, haften, kleine libellen, kevers en nachtvlinders tot het menu.
De soort jaagt vaak langs bosranden en houtwallen, boven paden en beken en rond open plekken in het bos. Daarbij kunnen dieren steeds dezelfde trajecten volgen. De vlucht is relatief wendbaar en vertoont overeenkomsten met die van de gewone dwergvleermuis.
Geluid en echolocatie van de baardvleermuis
De baardvleermuis gebruikt breedbandige FM-signalen voor echolocatie. FM staat voor frequentiegemoduleerd: tijdens één puls daalt de frequentie over een relatief groot bereik.
Volgens de soortinformatie van Zodion beginnen de signalen gemiddeld rond 88 kHz en dalen ze naar ongeveer 30 kHz. De piekfrequentie ligt rond 45 kHz. De pulsduur bedraagt meestal ongeveer 2 tot 4 milliseconden. Op een batdetector zijn relatief zachte, droge tikken hoorbaar.
De echolocatie lijkt sterk op die van andere soorten binnen het geslacht Myotis, waaronder de watervleermuis. De gewone baardvleermuis en de Brandts vleermuis zijn op basis van detectorgeluid niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden.
Dat is belangrijk bij veldonderzoek. Een akoestische opname kan de soortgroep aanwijzen, maar is niet altijd voldoende om met zekerheid vast te stellen om welke van beide baardvleermuizen het gaat. Aanvullend onderzoek en andere determinatiekenmerken kunnen daarom nodig zijn.
Natuurlijke vijanden van de baardvleermuis
Over soortspecifieke predatie bij de baardvleermuis is relatief weinig bekend. Er is geen predator bekend die specifiek op deze vleermuissoort jaagt.
Algemene predatoren van kleine vleermuizen kunnen de baardvleermuis wel incidenteel vangen. In soortinformatie worden onder meer uilen en dagroofvogels genoemd. Rond verblijfplaatsen kunnen ook huiskatten en steenmarters een risico vormen.
Deze predatie lijkt vooral incidenteel. Het is daarom niet zorgvuldig om deze dieren te presenteren als gespecialiseerde natuurlijke vijanden van de baardvleermuis.

Wat betekent de baardvleermuis voor bouw- en renovatieprojecten?
De baardvleermuis kan gebouwen gebruiken als zomer- en kraamverblijfplaats. Dieren worden onder meer aangetroffen op zolders, tussen delen van de dakconstructie, achter gevelbetimmeringen en achter vensterluiken. Daardoor kunnen renovatie, verduurzaming en sloop verblijfplaatsen aantasten of ontoegankelijk maken.
Vooral oudere gebouwen kunnen spleten en besloten ruimten bevatten die geschikt zijn als verblijfplaats. Bij werkzaamheden aan zulke gebouwen is het daarom relevant om vooraf te beoordelen of beschermde functies aanwezig zijn en welke effecten de werkzaamheden daarop kunnen hebben.
Op kerkzolders vraagt ook houtbehandeling aandacht. In een publicatie van de Zoogdiervereniging wordt beschreven dat schadelijke stoffen uit historische houtbehandelingen nog lange tijd effect op baardvleermuizen kunnen hebben. Bij werkzaamheden aan bekende of mogelijke verblijfplaatsen moet daarom zorgvuldig worden omgegaan met de keuze en toepassing van conserveringsmiddelen.
Wordt tijdens werkzaamheden toch een vleermuis aangetroffen, leg het werk dan direct stil en schakel een vleermuisdeskundige in. Deze handelwijze wordt ook beschreven in de kennisdocumenten van BIJ12.
Door verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied vroeg in een project mee te nemen, kunnen mogelijke effecten tijdig in beeld worden gebracht. Dat biedt ook ruimte om natuurinclusieve maatregelen onderdeel te maken van ontwerp en uitvoering.
OP ZOEK NAAR DESKUNDIG ADVIES?
Neem dan even contact met ons op. Onze ervaren adviseurs helpen je graag verder
