Laatvlieger

De laatvlieger (Eptesicus serotinus) is een van de grootste vleermuissoorten van Nederland. Je herkent hem aan de tweekleurige vacht: koffiebruin op de rug en lichter bruin op de buik. Zijn naam dankt hij aan het moment waarop hij uitvliegt. Dat is later dan bij de rosse vleermuis, die vroeger ook wel vroegvlieger heette.

De laatvlieger woont vaak midden in woonwijken, in spouwmuren en onder daken. Hij kan er jaren blijven zitten. Juist die honkvastheid maakt hem kwetsbaar als een gebouw wordt gesloopt, gerenoveerd of na-geïsoleerd. Werk je als architect, gemeente, bouwbedrijf of ecoloog aan natuurinclusief bouwen, dan wil je al in het begin van een project weten of er laatvliegers zitten.

Is de laatvlieger een beschermde diersoort?

Ja. De laatvlieger staat op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn en is in Nederland beschermd via artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat onder de Omgevingswet valt. Je mag laatvliegers niet opzettelijk doden, vangen of verstoren. Hun verblijfplaatsen mag je niet beschadigen of vernielen, ook niet als ze op dat moment leeg zijn.

De soort staat er niet goed voor. Sinds 2009 staat de laatvlieger als kwetsbaar op de Rode Lijst van Nederlandse zoogdieren. In 2020 is die status bevestigd. De landelijke staat van instandhouding is in 2013 en in 2018 beoordeeld als matig ongunstig. Volgens de Zoogdiervereniging heeft de laatvlieger vooral last van na-isolatie van woningen. Ook droogte en insectenbestrijding spelen mee, omdat die zijn belangrijkste voedsel treffen: grote kevers en nachtvlinders.

Afbeelding van de Laatvlieger, bron: Zodion
VK WS 01 vleermuis gevelkast

Wat betekent dit voor je project?

Sloop je, renoveer je of isoleer je een gebouw waar laatvliegers kunnen zitten, dan is ecologisch onderzoek verplicht. Dat begint met een quickscan. Kan de soort daarna niet worden uitgesloten, dan volgt nader onderzoek volgens het vleermuisprotocol. Dat onderzoek kan alleen in bepaalde periodes van het jaar. Blijkt dat je een negatief effect niet kunt voorkomen, dan heb je een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig, met maatregelen om verblijfplaatsen te sparen of te vervangen.

Vivara Pro verzorgt dit onderzoek en het advies daarover via Advies & ontwerp. Veel gemeenten werken bij de omgevingsvergunning met puntensystemen voor natuurinclusief bouwen, zoals de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn (GPR). Onze adviseurs helpen om voorzieningen voor de laatvlieger zo in te zetten dat ze in zo’n beoordeling meetellen.

Kenmerken van de laatvlieger

De laatvlieger is groot voor een Nederlandse vleermuis. Hij heeft brede vleugels, vliegt rustig in lange banen en is met een batdetector vooral rond 25 kHz te horen.

Uiterlijk en afmetingen

De rug is koffiebruin, de buik lichter bruin. Gezicht, oren en vlieghuid zijn zwartbruin. De oren zijn vrij klein, langer dan breed en hebben vijf duidelijke dwarsplooien. Kijk ook naar de staartpunt. De laatste een of twee staartwervels liggen vrij, waardoor de staart 4 tot 5 mm buiten de staartvlieghuid uitsteekt.

Kenmerk Waarde
Kop-romplengte 62 tot 82 mm
Onderarmlengte 48 tot 58 mm
Gewicht 14 tot 33 g
Spanwijdte 32 tot 38 cm

Met die maten hoort de laatvlieger bij de grootste vleermuizen van Nederland. Alleen de rosse vleermuis komt in de buurt.

Verschil tussen laatvlieger en dwergvleermuis

Een laatvlieger en een dwergvleermuis haal je vooral uit elkaar op formaat. Een gewone dwergvleermuis weegt 3,5 tot 8 gram, ongeveer een kwart van een laatvlieger. De spanwijdte is 18 tot 24 cm. Hij heeft een egaal donkere vacht en vliegt snel en grillig, dicht langs de begroeiing. De laatvlieger vliegt trager in lange banen, met wijde bochten en af en toe een plotselinge uitval naar een prooi. Beide soorten wonen in gebouwen. De laatvlieger gebruikt daarbij vaker grotere ruimtes, zoals kerkzolders of de ruimte onder het lood rond een schoorsteen.

In formaat lijkt de laatvlieger het meest op de rosse vleermuis. Die heeft smallere vleugels, vliegt sneller en hoger en komt eerder naar buiten. Bovendien woont de rosse vleermuis vooral in boomholtes.

Geluid en echolocatie

Tijdens de jacht zendt de laatvlieger FM-QCF-pulsen uit die van 60 naar 25 kHz lopen, met een pulsduur van ongeveer 13 ms. In open ruimte zijn de pulsen vlakker, van 27 naar 25 kHz. De meeste energie zit rond 25 kHz. Met een batdetector hoor je de roep op 20 tot 50 m afstand. Bij ecologisch veldonderzoek stellen ecologen de soort zo vast, samen met waarnemingen van uitvliegende dieren. Ook vliegroutes brengen ze op die manier in kaart.

Leefgebied en jachtgedrag

De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, het liefst in de luwte van bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt meestal op 5 tot 10 m hoogte boven vochtige graslanden, weilanden, kanalen, vaarten, tuinen en parken met vijvers. Bij windstil weer jaagt hij ook in open terrein. Zijn jachtgebieden liggen meestal binnen 1 tot 5 km van de kolonie.

Bermen, watergangen en oevers zijn voor deze soort dus belangrijk, als jachtgebied en als vliegroute. Met Infrastructuur & biodiversiteit richt Vivara Pro zich op de inrichting van bermen langs wegen en van watergangen en oevers.

Voeding

Laatvliegers eten vooral kevers en nachtvlinders. Daarnaast vangen ze muggen, vliegen en andere insecten. Wat er op het menu staat, hangt af van het aanbod en kan per seizoen en per plek sterk verschillen. Meestal vangt de laatvlieger zijn prooi in de lucht. Soms pakt hij insecten van bladeren of van de grond.

Voortplanting en kraamkolonies

Laatvliegers paren in september en oktober. Rond half juni krijgt een vrouwtje meestal één jong, een tweeling is zeldzaam. Na ongeveer drie weken kan het jong vliegen en na vier tot vijf weken verlaat het de kolonie. Een kraamkolonie telt meestal enkele tientallen dieren. Volgens BIJ12 kan een groep soms uit meer dan 200 vrouwtjes bestaan.

Voor zover bekend zitten kraamkolonies alleen in gebouwen. Ze gebruiken een netwerk van verblijfplaatsen die dicht bij elkaar liggen. Tijdens bouw- of renovatiewerkzaamheden kunnen tijdelijke kraamkasten als mitigatiemaatregel dienen. Of laatvliegers zo’n tijdelijke voorziening accepteren, verschilt wel sterk per situatie.

Winterslaap

Van november tot maart of april is de laatvlieger vrijwel uit beeld. Hij overwintert in nauwe, relatief droge ruimtes zoals spouwmuren en spleten in zolders en kelders. De dieren kruipen diep weg en worden daar zelden gevonden. Over de precieze winterslaapstrategie is weinig bekend. Wel blijkt uit onderzoek van Stichting de Laatvlieger dat dieren van de kraamkolonie in Castenray de winter doorbrengen in spouwmuren van woningen in de buurt.

In afbeelding van twee mannen en een graafmachine die een paalkast c.q. kraamkast voor vleermuizen plaatsen in de sneeuw ergens in een park in de gemeente Weert.

Waar verblijft de laatvlieger in de zomer en winter?

In de zomer woont de laatvlieger in spleetvormige ruimtes in gebouwen: in spouwmuren, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rond de schoorsteen. Soms zitten de dieren op zolders. Solitaire mannetjes vind je af en toe achter vensterluiken. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen. In de paartijd gebruiken ze vergelijkbare plekken, soms in kleine groepjes op adressen waar ze in de zomer niet zaten.

In de winter zoeken laatvliegers nauwe en droge plekken op, zoals spouwmuren en spleten in zolders en kelders. Ze leggen tussen zomer- en winterverblijf meestal maar enkele kilometers af. De laatvlieger is een standvleermuis die zich hooguit zo’n 45 km verplaatst.

Het hele jaar door gebruiken de dieren een netwerk van verblijfplaatsen. Ze verhuizen daar regelmatig tussen, ook tussen verblijven met dezelfde functie. Aan dat netwerk zijn ze trouw en een onbekend gebouw nemen ze niet snel op. Verdwijnt een verblijfplaats, dan is het dus onzeker of de dieren een vervangende plek gaan gebruiken.

Voor permanente compensatie zijn gevelkasten, inbouwstenen en paalkasten beschikbaar. Het volledige aanbod staat bij vleermuisverblijven. Bij de laatvlieger hangt het succes sterk af van maatwerk en de keuze van de locatie.

Hoe herken je sporen van een laatvlieger?

Een laatvlieger zie je het best in de schemering. De dieren verlaten hun verblijf 9 tot 20 minuten na zonsondergang in kleine groepjes. Is er veel voedsel, dan soms al eerder. In dorpen en aan de rand van steden jagen ze rond lantaarnpalen, in tuinen en in parken. Door hun formaat en rustige vlucht vallen ze op tussen de kleinere dwergvleermuizen.

Onder een verblijfplaats liggen soms uitwerpselen. Vleermuiskeutels zijn lastig op naam te brengen, maar die van de laatvlieger zijn relatief groot: 3 tot 3,5 mm dik en 6 tot 14 mm lang. Zie je zulke keutels onder een daklijst of bij een open stootvoeg, laat dan een ecoloog kijken.

Waarnemingen van uitvliegende dieren, geluid en keutels vormen samen de basis van monitoring. Met Monitoring & effect brengt Vivara Pro het gebruik van verblijfplaatsen in beeld met sensoren, AI-modellen en een dashboard. Zo zie je of en wanneer vleermuizen een voorziening gebruiken.

Laatvliegers bij bouw- en renovatieprojecten

Gaat een gebouw met mogelijke verblijfplaatsen van de laatvlieger op de schop, dan is ecologisch onderzoek verplicht vanuit de Omgevingswet. Dat geldt voor sloop en renovatie, maar ook voor na-isolatie van spouwmuren. Juist daar zitten laatvliegers in zomer en winter, vaak zonder dat je er vanaf de straat iets van ziet.

Het Kennisdocument Laatvlieger van BIJ12 is daarbij het naslagwerk. Provincies en gemeenten beoordelen er mitigatie- en compensatiemaatregelen mee. Ecologen onderbouwen er hun onderzoek en maatregelen mee. De nieuwe versie uit 2025 beschrijft onderzoeksmethoden en geeft richtlijnen voor maatwerkvoorzieningen. BIJ12 vat het zelf samen: wie de laatvlieger wil helpen, moet maatwerk leveren.

Via Advies & ontwerp voert Vivara Pro het ecologisch onderzoek uit en stelt een faunainrichtingsplan op. Eigen teams verzorgen de plaatsing van tijdelijke en permanente voorzieningen. Bij isolatieprojecten zorgt natuurvriendelijk isoleren ervoor dat vleermuizen tijdens het werk beschermd blijven.

Werk je met of in de buurt van vleermuizen, houd dan rekening met vleermuisrabiës. In Nederland is het virus EBLV-1 vooral bij de laatvlieger aangetoond. Het risico voor omwonenden is klein, maar pak een vleermuis nooit met blote handen op. Werk volgens een ecologisch werkprotocol. Word je gebeten of gekrabd, neem dan dezelfde dag contact op met de huisarts of GGD.

Welke voorzieningen zijn geschikt voor de laatvlieger?

Voor de laatvlieger bestaat geen standaardkast waarvan bekend is dat de soort hem goed accepteert. Laatvliegers zijn honkvast, nemen niet snel een onbekend gebouw op en worden zelden in vleermuiskasten gevonden. Wat een goede vervangende verblijfplaats is, blijkt daardoor lastig vast te stellen.

Daarom werkt Vivara Pro samen met Stichting de Laatvlieger. We zijn voortdurend in overleg met voorzitter en laatvliegerexpert Jan Jeucken. Jeucken onderzoekt sinds 2014 de kraamkolonie op de kerkzolder van de Sint-Matthiaskerk in Castenray, met infraroodcamera’s en batdetectors. Het is een van de grootste bekende kolonies van Nederland: in 2022 werden er 236 dieren geteld.

Afbeelding van Jan Jecuken, expert over de Laatvlieger bij zijn zelf ontworpen kraamkast voor de laatvlieger i.s.m. Vivara Pro

Kraamkamer-paalkast voor laatvliegers

Uit dat onderzoek is de Kraamkamer-paalkast voor laatvliegers ontstaan. Stichting de Laatvlieger ontwierp de kast op basis van tien jaar onderzoek naar het gedrag van de soort. Dak en inrichting zijn zo veel mogelijk afgestemd op een kerkzolder waar al jaren een kraamkolonie laatvliegers woont. Vivara Pro heeft de exclusieve licentie om de kast te produceren.

De kast is een toren met een buitenmaat van 320x690x320 cm. De houten kastconstructie van FSC®-gecertificeerd douglashout staat op twee betonnen keerwanden van 4 m hoog. Het dak is gedekt met keramische dakpannen, al is op verzoek een andere dakbedekking mogelijk. Behalve voor de laatvlieger is de kast ook bedoeld voor de gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en de baardvleermuis (Myotis mystacinus).

De kraamkamer-paalkast is bedoeld voor plekken met goed foerageergebied, maar zonder geschikte verblijfplaatsen in de buurt. Daarnaast kun je hem experimenteel inzetten als mitigatiemaatregel bij gebiedsontwikkeling. Het blijft een experimentele voorziening. Elke geplaatste kast wordt getest en gemonitord. De stichting gebruikt die resultaten om het ontwerp verder te verbeteren.

Andere voorzieningen en onderhoud

Naast de kraamkamer-paalkast kunnen gevelkasten en inbouwstenen dienen als permanente compensatie. Kraamkasten vangen tijdens de bouwperiode de functie tijdelijk op. Omdat onzeker is of laatvliegers een voorziening accepteren, raden we aan om elke voorziening te combineren met Monitoring & effect. Dan weet je of de dieren er ook echt gebruik van maken.

Na plaatsing blijft onderhoud nodig. Via Onderhoud & beheer herstelt Vivara Pro schade door weer of predatoren, zodat de voorzieningen bruikbaar blijven.

Laatvlieger | 2

OP ZOEK NAAR DESKUNDIG ADVIES?

Neem dan even contact met ons op. Onze ervaren adviseurs helpen je graag verder

Laatvlieger | 3
Copyright Vivarapro
Sitemap

Highlight

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

Product bekijken
VK WS 18 Mops Vleermuiskast | 6

VK WS 18 Mops Vleermuiskast

Product bekijken

Highlight

UK ST 01 Steenuil nestkast | 8

UK ST 01 Steenuil nestkast

Product bekijken
Huiszwaluwtil

HT HZ 01 Huiszwaluwtil inclusief paal

Product bekijken