De levenscyclus van de vleermuis: welk verblijf hebben ze wanneer nodig?

Een vleermuis is het hele jaar in beweging, maar wat ze nodig heeft verschilt sterk per seizoen. In de winter zoekt ze een koele, vochtige plek om maandenlang te slapen. In het late voorjaar wil een vrouwtje juist een warme, tochtvrije ruimte voor haar jong. En daartussen heeft ze een rustige plek nodig om overdag te slapen. Welk verblijf past, hangt dus af van de fase waarin het dier zit: voortplanting, zomer of winterslaap.

Werk je als ecoloog, architect, werkvoorbereider of gemeentelijk opdrachtgever aan een vleermuisvriendelijk project? Dan is dit belangrijk om te weten. Wie maar één type vleermuiskast ophangt, helpt hooguit een deel van de dieren gedurende een deel van het jaar. In dit artikel lees je hoe het jaar van een vleermuis eruitziet, wat ze in elke fase nodig heeft en hoe je daar in je ontwerp rekening mee houdt.

Afbeelding van een aantal vleermuis in een vleermuis boomkast VK WS 04 van Vivara Pro

De levenscyclus van de vleermuis in vogelvlucht

Het jaar van een Nederlandse vleermuis bestaat uit vier fasen. Elke fase vraagt om een ander soort verblijf.

Winterslaap (november tot maart)

De vleermuis gaat in een diepe rusttoestand, ook wel torpor genoemd. Haar lichaamstemperatuur zakt tot net boven die van de omgeving en haar hart klopt nog maar een paar keer per minuut. Ze leeft maandenlang op haar vetreserve en mag daarbij niet gestoord worden. Het verblijf moet daarom koel, vochtig en donker zijn, en er mag geen vorst in komen.

Ontwaken en bevruchting (maart tot april)

Zodra het warmer wordt, komen de dieren in beweging en gaan ze weer jagen. De paring vond al in de nazomer en het najaar plaats. Het vrouwtje bewaart het sperma de hele winter in haar lichaam; pas nu wordt ze bevrucht. Dit is een kwetsbare tijd. De vetreserve is op en er vliegen nog weinig insecten. Vleermuizen zoeken in deze periode plekken op die snel opwarmen.

Kraamperiode (mei tot augustus)

Zwangere vrouwtjes zoeken elkaar op en vormen een kraamkolonie. Rond juni krijgt elk vrouwtje meestal één jong. Na vier tot zes weken kan het jong vliegen. Het verblijf moet in deze tijd vooral warm zijn, zonder tocht en veilig voor roofdieren.

Nazomer en najaar (augustus tot oktober)

De kolonie valt uiteen en de jongen jagen zelfstandig. De paartijd begint: mannetjes bezetten een paarverblijf en lokken vrouwtjes met roepgeluiden. Tegelijk eten alle dieren zich vol en zoeken ze een plek om te overwinteren. Je ziet ze dan ‘s nachts vaak zwermen rond gebouwen waar grote groepen overwinteren.

In Nederland leven ruim vijftien soorten vleermuizen. De gewone dwergvleermuis is de meest algemene. Het is een echte gebouwbewoner die in spouwmuren, achter gevelbetimmering en in kasten leeft. De ruige dwergvleermuis is een trekkende soort die vooral in het najaar paalkasten en boomholtes gebruikt. De watervleermuis jaagt laag boven het water, slaapt ‘s zomers in bomen en overwintert in bunkers, kelders en forten. Bij bouwprojecten kom je verder regelmatig de laatvlieger en de gewone grootoorvleermuis tegen. Ook dat zijn gebouwbewoners.

Wat een vleermuis nodig heeft tijdens de voortplanting

Tijdens de kraamperiode heeft een vleermuis een warm, tochtvrij en donker verblijf nodig waarin tientallen vrouwtjes dicht op elkaar kunnen hangen. Van mei tot augustus vormen vrouwtjes van bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis kraamkolonies van enkele tientallen tot honderden dieren. Ze werpen hun jong, zogen het en laten het ‘s nachts achter terwijl ze zelf jagen. Een jong dat afkoelt groeit niet en gaat dood. Warmte is daarom de belangrijkste eis.

Mopsvleermuis bewoond in de Mopsvleermuiskast van Vivara Pro

Een goede kraamkast of kraamkamer heeft dan ook deze kenmerken:

  • De kast houdt warmte vast. Dat lukt met dikke wanden of een donkere buitenkant in de zon. Meerdere compartimenten met een verschillende temperatuur geven de kolonie de kans om te verkassen als het te heet of te koud wordt.
  • De ingang is een smalle spleet van 15 tot 20 millimeter. Roofdieren en vogels komen er niet door, en er komt weinig tocht en licht binnen.
  • De binnenwanden zijn te beklimmen. Vleermuizen kruipen omhoog en hangen aan hun achterpoten. Groeven of een ruw oppervlak geven grip.
  • Er zit geen tocht op. Naden en kieren zijn dicht. De enige opening is de invliegspleet aan de onderkant.
  • De kast hangt op het zuiden of zuidwesten, uit de wind en zonder kunstlicht in de buurt. Zo vangt hij de meeste zon.

Een gewone vleermuiskast of paalkast is bewust anders. Die is kleiner, warmt minder op en dient vooral als rustplek voor losse dieren of kleine groepjes buiten de kraamtijd. Voor een kraamkolonie is zo’n kast te klein en te koud.

Het zomerverblijf: rust buiten de kraamtijd

Een zomerverblijf is de plek waar mannetjes en vrouwtjes zonder jong van april tot oktober overdag slapen. Terwijl de vrouwtjes in de kraamkolonie zitten, hangen de mannetjes alleen of in een klein groepje ergens anders. Jonge vrouwtjes die nog niet meedoen aan de voortplanting kiezen ook zo’n verblijf. In de nazomer verandert een zomerverblijf vaak in een paarverblijf: een mannetje bezet de kast en verdedigt hem tegen andere mannetjes.

De eisen zijn minder streng dan bij een kraamkast, maar er zijn wel een paar voorwaarden:

  • De temperatuur blijft redelijk stabiel. De kast mag niet oververhit raken en niet te ver afkoelen. Hang je meerdere kasten op verschillende gevelzijden, dan kunnen de dieren kiezen.
  • Roofdieren komen er niet bij. Een smalle invliegspleet en voldoende hoogte houden katten, marters en roofvogels op afstand.
  • De plek klopt. Aan een gevel, muur of paal, met een vrije aanvliegroute zonder takken of andere obstakels, en zonder verlichting.

Paalkasten en vlakke gevelkasten zijn hier goed voor geschikt. Hang ze op minimaal 3 meter hoogte, liever 4 tot 5 meter, met de opening naar beneden. Een zuid-, zuidoost- of zuidwestgevel werkt het best. Plaats je meerdere kasten, geef dan ook een oost- of westgevel een kans. Bij hitte kunnen de dieren dan uitwijken.

Overwintering: waarom een vorstvrije schuilplaats onmisbaar is

Voor de winterslaap heeft een vleermuis een vorstvrije, vochtige en volledig donkere ruimte nodig waarin het maandenlang tussen de 2 en 8 graden blijft. Vanaf oktober of november zoeken de dieren zo’n plek op. Ze blijven daar tot maart in diepe rust. Elke keer dat een vleermuis wakker wordt, kost dat een stuk van haar vetreserve. Een verblijf dat te warm wordt, te ver afkoelt of te vaak wordt verstoord, kan haar dood betekenen.

Een winterverblijf moet daarom aan andere eisen voldoen dan een zomer- of kraamkast:

  • De temperatuur blijft de hele winter tussen de 2 en 8 graden. Dikke, isolerende wanden of inbouw in een massieve constructie dempen de schommelingen van buiten. Vorst mag er nooit in komen.
  • De lucht is vochtig, liefst 80 procent of meer. Vleermuizen drogen uit tijdens de winterslaap en een vochtige omgeving beperkt dat.
  • Het is er donker en rustig. Er komt geen licht binnen en er komt niemand.
Afbeelding van een grootoorvleermuis

Dat is het omgekeerde van wat een kraamkast doet. Een kraamkast houdt warmte vast; een winterverblijf moet koel blijven. Een gewone buitenkast is daarom niet geschikt om in te overwinteren. De dunne wanden volgen de buitentemperatuur, dus bij vorst wordt het te koud en op een zonnige winterdag te warm. Voor overwintering gebruiken vleermuizen vooral kelders en gebouwen.

Waarom één type kast niet voldoet

Vleermuizen wisselen in de loop van het jaar van verblijf. Een project met één type kast helpt daarom maar een deel van de dieren, en maar een deel van het jaar. Een kraamkast staat ‘s winters leeg. Een winterverblijf is ‘s zomers te koud. Een populatie houdt alleen stand als alle fasen van de levenscyclus in de buurt mogelijk zijn.

De beste opzet combineert daarom drie functies: een kraamkast of kraamkamer op een zonnige, luwe zuid- of zuidwestgevel; een of meer zomerverblijven, zoals paalkasten of vlakke gevelkasten, verdeeld over verschillende windrichtingen; en een overwinteringsvoorziening met veel massa op een koele, schaduwrijke plek.

Bij nieuwbouw en renovatie regel je dit het makkelijkst in de ontwerpfase. Inbouwstenen en winterverblijven passen dan zonder meerkosten in de gevel of spouw. Achteraf kasten ophangen levert vaak een compromis op. Zet de verblijven dus op de bouwtekening, stem de richting af op de gevelzijden en houd rekening met vrije aanvliegroutes en het lichtplan.

Zo voldoe je ook aan de wet. Alle Nederlandse vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Omgevingswet (voorheen de Wet natuurbescherming) en de Europese Habitatrichtlijn. Niet alleen de dieren zijn beschermd, ook hun vaste verblijfplaatsen. Die mag je niet verstoren of vernietigen. Wil je een gebouw met vleermuisverblijven slopen of renoveren, dan heb je een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Je krijgt die alleen als je vervangende verblijven aanbiedt die dezelfde functie hebben. Een kraamverblijf vervang je door een kraamverblijf, een winterverblijf door een winterverblijf. Neem je in het ontwerp al meerdere typen verblijven op, dan voorkom je vertraging bij de vergunning en help je de populatie op de lange termijn.

Veelgestelde vragen

De levenscyclus van de vleermuis: welk verblijf hebben ze wanneer nodig? | 2

OP ZOEK NAAR DESKUNDIG ADVIES?

Neem dan even contact met ons op. Onze ervaren adviseurs helpen je graag verder

De levenscyclus van de vleermuis: welk verblijf hebben ze wanneer nodig? | 3
Copyright Vivarapro
Sitemap

Highlight

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

Product bekijken
VK WS 18 Mops Vleermuiskast | 6

VK WS 18 Mops Vleermuiskast

Product bekijken

Highlight

UK ST 01 Steenuil nestkast | 8

UK ST 01 Steenuil nestkast

Product bekijken
Huiszwaluwtil

HT HZ 01 Huiszwaluwtil inclusief paal

Product bekijken