Welke vleermuissoorten leven er in stedelijk gebied?
In Nederlandse steden kom je vooral de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis tegen. De eerste drie zijn echte gebouwbewoners. De rosse vleermuis en de grootoorvleermuis gebruiken de stad vooral om te jagen en zitten er minder vaak in gebouwen. Alle inheemse vleermuizen zijn beschermd onder de Omgevingswet en de Europese Habitatrichtlijn. De soortbeschrijvingen hieronder volgen de Kennisdocumenten van BIJ12 en de verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging (nu Zodion).

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuis in de stad en zit bijna altijd in gebouwen. Kraamkolonies van tientallen tot honderden dieren vind je in spouwmuren, achter gevelbetimmering, onder daklijsten en achter dakpannen. Een opening van 1,5 tot 2 centimeter is genoeg. De soort wisselt door het jaar heen tussen meerdere verblijfplaatsen in dezelfde buurt. Spleetvormige inbouwstenen en gevelkasten met een smalle instap passen het best.
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
De ruige dwergvleermuis lijkt sterk op de gewone dwergvleermuis en gebruikt in de stad vooral paar- en winterverblijven in gebouwen. Het is een trekkende soort die in het najaar vanuit Noordoost-Europa naar Nederland komt. Mannetjes bezetten dan een eigen spleet of kast en roepen daar vrouwtjes naartoe. Meerdere kleine gevelkasten of inbouwstenen verspreid over een gebouw sluiten aan op dat gedrag.
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
De laatvlieger is een grote gebouwbewoner met kraamkolonies in spouwmuren, onder dakbeschot en achter boeiboorden. Door zijn formaat heeft hij een ruimere invliegopening en meer binnenruimte nodig dan de dwergvleermuizen. Grote inbouwsystemen en meervoudige gevelkasten met een bredere instap zijn geschikt. De laatvlieger jaagt graag boven parken, waterkanten en straatverlichting.
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
De rosse vleermuis is van oorsprong een boombewoner en gebruikt in de stad hoge boomholten in parken en lanen. Soms bezet de soort ook spleten in hoge gebouwen en bruggen. Hij vliegt hoog en snel en jaagt boven open water en parkstroken.
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
De gewone grootoorvleermuis woont in en rond gebouwen met een ruime, donkere zolder of kapconstructie, zoals kerken en boerderijen aan de stadsrand. De soort is sterk lichtschuw en plukt insecten van bladeren in dichte vegetatie. Midden in een dichtbebouwde stad kom je hem daarom weinig tegen. Voorzieningen zijn vooral zinvol aan de groene stadsranden, als ruime inbouwkast of via het toegankelijk houden van zolders.
Andere soorten die je kunt tegenkomen
Rond water in en om de stad leven ook de watervleermuis en de meervleermuis. Beide jagen laag boven het wateroppervlak en mijden verlichte plekken. De watervleermuis verblijft meestal in boomholten en bruggen. De meervleermuis vormt kraamkolonies in gebouwen in het westen en noorden van Nederland. Een vleermuisonderzoek volgens het Vleermuisprotocol laat zien welke soorten in jouw project zitten en welke functie het gebouw voor ze heeft.

Waarom de stad een geschikte leefomgeving is voor vleermuizen
De stad geeft vleermuizen vier dingen dicht bij elkaar: warmte, beschutting, een stabiel binnenklimaat en voedsel. In het buitengebied liggen die functies vaak kilometers uit elkaar. Een kolonie in een boomholte aan de bosrand vliegt elke avond naar een weiland of beek om te jagen. In de stad ligt de verblijfplaats in een gevel en het jachtgebied in het park om de hoek. Voor gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger is dat een reden om juist in dichtbebouwd gebied te blijven.
Warmte en een stabiel microklimaat in gevels
Gevels op het zuiden en zuidwesten nemen overdag warmte op en geven die ‘s avonds langzaam af. Kraamkolonies hebben dat nodig, omdat jonge dieren in de eerste weken een hoge omgevingstemperatuur vragen. Spouwmuren en inbouwstenen in een massieve gevel houden de temperatuur bovendien stabiel. Door het hitte-eilandeffect ligt de temperatuur in de stad enkele graden hoger dan op het platteland, waardoor het seizoen voor vleermuizen langer duurt.
Beschutting tegen wind en regen
Bebouwing breekt de wind en biedt droge, tochtvrije ruimten. Spleten achter gevelbekleding, boeiboorden en dakranden zijn van nature beschermd tegen regen en roofdieren. Gevelkasten en inbouwstenen nemen die functie over zodra een gebouw wordt geïsoleerd of gerenoveerd.
Water en groen als jachtgebied
Vleermuizen eten muggen, motten en kevers. Stadsparken, singels, vijvers, tuinen en groene daken leveren die insecten binnen vliegafstand van de verblijfplaats. Bomenrijen, lanen en waterlopen werken als vliegroute tussen verblijf en jachtgebied. Het behoud van die groenblauwe verbindingen weegt even zwaar als de voorziening zelf.
Afhankelijk van kunstmatige verblijfplaatsen
Oude bomen met holten zijn in de stad schaars. Stedelijke vleermuizen zijn daardoor grotendeels aangewezen op gebouwen. Na-isolatie, sloop en gevelrenovatie sluiten bestaande verblijfplaatsen af en de Omgevingswet verplicht om die te compenseren. Dat gaat via een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of via een soortenmanagementplan. Gevelkasten en inbouwstenen zijn de gangbare invulling van die compensatie. Meer over de aanpak lees je op onze pagina over natuurinclusief bouwen.
Het effect van kunstlicht op vleermuizen
Vleermuizen zijn nachtdieren en hun hele levenscyclus is afgestemd op donker. Kunstlicht grijpt daarop in op drie plekken: bij de verblijfplaats, op de vliegroute en in het jachtgebied. Licht op een invliegopening zorgt dat een kolonie later uitvliegt en de piek in insectenactiviteit rond zonsondergang mist. Een verlichte straat of gracht kan een vliegroute doorsnijden. En lampen trekken insecten aan, waardoor voedsel zich verplaatst naar plekken waar niet elke soort durft te komen. Hoe zwaar die effecten wegen, verschilt sterk per soort. Voor de plaatsing van gevelkasten en inbouwstenen is dat onderscheid bepalend.
Komen vleermuizen op licht af?
Sommige vleermuizen komen op licht af, maar alleen de lichttolerante soorten. De gewone dwergvleermuis en de laatvlieger jagen regelmatig rond straatlantaarns, omdat daar insecten samenkomen. Ze komen dus af op het voedsel en niet op het licht zelf. Lichtschuwe soorten zoals de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de meervleermuis blijven weg uit verlichte zones. Voor die soorten werkt een verlichte gevel of straat als een barrière tussen verblijfplaats en jachtgebied.
Lichtschuwe en lichttolerante soorten
| Soort | Reactie op kunstlicht |
|---|---|
| Gewone dwergvleermuis | Relatief lichttolerant, jaagt bij lantaarns |
| Laatvlieger | Relatief lichttolerant, jaagt bij lantaarns |
| Ruige dwergvleermuis | Matig lichttolerant |
| Rosse vleermuis | Vliegt hoog, weinig hinder van straatverlichting |
| Gewone grootoorvleermuis | Lichtschuw, mijdt verlichte zones |
| Watervleermuis en meervleermuis | Sterk lichtschuw, mijden verlicht water |
Ook lichttolerante soorten hebben last van licht direct op de invliegopening. Ze vliegen dan later uit en missen de piek in insectenactiviteit rond zonsondergang. Een onverlichte invliegopening is daarom voor alle soorten het uitgangspunt.
Waarom is rood licht minder schadelijk dan wit of groen licht?
Rood licht stoort vleermuizen minder omdat hun ogen weinig gevoelig zijn voor lange golflengten en omdat rood licht nauwelijks insecten aantrekt. Onderzoekers van het NIOO-KNAW en Wageningen University (Spoelstra et al., 2017, Proceedings of the Royal Society B) vergeleken langs Nederlandse bosranden de activiteit van vleermuizen onder wit, groen en rood licht. Lichtschuwe soorten zoals grootoorvleermuizen en Myotis-soorten waren onder rood licht even actief als in het donker. Onder wit en groen licht nam hun activiteit sterk af. Verschillende gemeenten passen sindsdien roodachtige verlichting toe langs vliegroutes en bij natuurgebieden. Als verlichting dicht bij een voorziening onvermijdelijk is, kies je dus voor een rode of amberkleurige lichtbron met weinig blauw.
Waar je bij plaatsing op let
Kijk bij de positie van een gevelkast of inbouwsteen naar de bestaande en toekomstige lichtbronnen:
- Plaats voorzieningen voor lichtschuwe soorten aan een gevelzijde zonder directe verlichting en met een donkere aanvliegroute naar groen of water.
- Houd de invliegopening buiten de lichtkegel van straatverlichting, gevelspots en reclameverlichting.
- Kies bij noodzakelijke verlichting voor rood of amber, naar beneden gericht en afgeschermd.
- Neem verlichting op in het verlichtingsplan en het ecologisch werkprotocol, zodat een latere aanpassing de voorziening niet alsnog onbruikbaar maakt.

Tips voor het kiezen van de juiste gevelkast of inbouwsteen
De juiste voorziening kies je op basis van drie vragen: voor welke soort, voor welke functie en in welke bouwfase. De soort bepaalt de maat van de instap en de binnenruimte. De functie (kraam, paar, zomer of winter) bepaalt de oriëntatie en het gewenste temperatuurverloop. De bouwfase bepaalt of je kiest voor een inbouwsteen in het metselwerk of een opbouwkast op de gevel. Vivara Pro ontwikkelt gevelkasten en inbouwstenen samen met ecologen en toetst ze aan de Kennisdocumenten van BIJ12, zodat je een keuze maakt die standhoudt in het activiteitenplan en de vergunningsaanvraag.
Afmetingen en instapopening per soortgroep
Dwergvleermuizen willen een spleet van 1,5 tot 2 centimeter en zitten graag in meerdere smalle kamers achter elkaar. Voor de laatvlieger en de meervleermuis kies je een ruimere instap en meer volume, zodat een kraamkolonie past. De rosse vleermuis en de grootoorvleermuis hebben grote kasten met een ruime binnenruimte nodig. Een geribbelde of ruwe binnenwand is bij alle soorten nodig, omdat vleermuizen zich met hun achterpoten aan het oppervlak vasthouden.
Inbouwsteen of opbouwkast?
Bij nieuwbouw en grondige renovatie kies je een inbouwsteen, bij een bestaande gevel een opbouwkast. Inbouwstenen zitten in de spouw of het metselwerk, zijn onzichtbaar in het gevelbeeld en profiteren van de massa van de gevel. Opbouwkasten monteer je op de gevel. Ze zijn geschikt als tijdelijke of permanente voorziening bij bestaande bouw, bijvoorbeeld als overbrugging voordat sloop start. Beide typen neem je met de juiste specificatie op in een bestek of vergunningsaanvraag.
Oriëntatie en hoogte
Kraamverblijven plaats je op het zuiden of zuidwesten, waar de gevel overdag zon vangt. Winterverblijven zet je koeler weg, op het noorden of oosten, met voldoende massa eromheen. Houd minimaal 3 meter boven maaiveld aan en een vrije aanvliegroute zonder takken, gevelbegroeiing of obstakels onder de opening. Meerdere voorzieningen op verschillende gevelzijden geven vleermuizen de keuze om per seizoen te wisselen.
Aantallen en spreiding
Eén kast compenseert zelden een verloren verblijfplaats. Vleermuizen gebruiken een netwerk van plekken en wisselen daartussen. Het bevoegd gezag vraagt in de praktijk meerdere voorzieningen per verloren functie, verspreid over het gebouw en de omgeving. De ecoloog legt de aantallen vast in het activiteitenplan, op basis van het uitgevoerde onderzoek.
Veelgestelde vragen
Waar slapen vleermuizen in de stad?
Stedelijke vleermuizen slapen overdag in spouwmuren, achter gevelbekleding, onder dakpannen, in dilatatievoegen van bruggen en in holten van oude parkbomen. Gevelkasten en inbouwstenen vervangen die plekken wanneer een gebouw wordt geïsoleerd of gesloopt.
Zijn gevelkasten geschikt voor alle vleermuissoorten?
Gevelkasten zijn vooral geschikt voor gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. Voor boombewoners zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis zijn het behoud van bomen en boomkasten belangrijker, aangevuld met ruime kasten aan hoge gebouwen.
Komen vleermuizen op licht af?
Lichttolerante soorten zoals de gewone dwergvleermuis jagen rond lantaarns omdat daar insecten samenkomen. Lichtschuwe soorten zoals de grootoorvleermuis en de watervleermuis blijven weg van verlichte plekken.
Waarom is rood licht beter voor vleermuizen?
Rood licht valt grotendeels buiten het gevoelige bereik van vleermuisogen en trekt weinig insecten aan. Onderzoek van het NIOO-KNAW laat zien dat lichtschuwe soorten onder rood licht even actief blijven als in het donker.
Op welke hoogte hang je een gevelkast voor vleermuizen?
Minimaal 3 meter boven maaiveld, met een vrije aanvliegroute. Kraamverblijven plaats je op het zuiden of zuidwesten, winterverblijven op een koelere gevelzijde.
Welke eisen stelt de wet aan vleermuisvoorzieningen?
Alle vleermuizen zijn beschermd onder de Omgevingswet. Bij sloop, renovatie of na-isolatie moet je verblijfplaatsen onderzoeken en verloren functies compenseren, meestal via een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of een soortenmanagementplan. De ecoloog legt aantallen en specificaties vast in het activiteitenplan.
