Gewone dwergvleermuis

De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) is de meest voorkomende vleermuissoort van Nederland en tegelijk een van de kleinste. Het dier weegt 3,5 tot 8 gram en kruipt via openingen van nog geen centimeter breed de spouwmuur, de gevelbetimmering of de ruimte achter een daktrim in. Die voorkeur voor gebouwen maakt de soort relevant voor iedereen die bouwt, renoveert, isoleert of een gebied herontwikkelt.

Op deze pagina lees je hoe je de gewone dwergvleermuis herkent, hoe de bescherming onder de Omgevingswet werkt en welke verblijven de soort een vaste plek geven in nieuwbouw en renovatie. Aan het eind staat hoe Vivara Pro projecten begeleidt, van ecologisch advies tot monitoring van geplaatste verblijven.

Is de gewone dwergvleermuis beschermd?

Ja. De gewone dwergvleermuis is in Nederland beschermd onder de Omgevingswet, omdat de soort op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn staat. De verboden staan in artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): je mag de dieren niet opzettelijk doden, vangen of verstoren en hun voortplantings- en rustplaatsen niet beschadigen of vernielen. Die bescherming geldt het hele jaar, ook als een verblijfplaats op dat moment niet in gebruik is. Overtreding is een economisch delict en kan leiden tot bestuurlijke sancties en strafrechtelijke vervolging.

Staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis

Op de Rode Lijst van Nederlandse zoogdieren (2020) staat de gewone dwergvleermuis als “thans niet bedreigd. De vleermuistransecttellingen van het Netwerk Ecologische Monitoring laten een matig positieve populatietrend zien, met een lichte toename in aantallen buiten de steden maar ook een lichte afname in verspreiding. De toenemende na-isolatie van gebouwen en het dichten van kieren en gaten als mogelijke oorzaak van een afnemend aanbod aan verblijfplaatsen.

Algemeen betekent niet onkwetsbaar. Vrouwtjes krijgen doorgaans één jong per jaar en slechts 50 tot 70% van de jongen overleeft het eerste jaar. Daardoor herstelt een lokale populatie langzaam als verblijfplaatsen verdwijnen.

afbeelding van een gewone dwergvleermuis
VK WS 01 vleermuis gevelkast

Kennisdocument gewone dwergvleermuis van BIJ12

Het Kennisdocument gewone dwergvleermuis van BIJ12 (versie 2.0, april 2024) is de landelijke referentie voor onderzoek en maatregelen bij deze soort. Het beschrijft de ecologie, het benodigde ecologisch onderzoek volgens het vleermuisprotocol, mogelijke maatregelen en per type activiteit welke maatregelen in aanmerking komen. Provincies gebruiken het document, samen met het juridisch kader en hun eigen beleid, bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Afwijken van het kennisdocument is toegestaan, mits de keuze ecologisch onderbouwd is.

Dit betekent dat ecologisch onderzoek vroeg in het project thuishoort. Een verkennend onderzoek (quickscan) kan het hele jaar, maar nader onderzoek naar kraam-, paar- en winterverblijven is gebonden aan vaste periodes in het jaar. Wie dat pas na het ontwerp regelt, loopt het risico op vertraging in de planning. Via Advies & ontwerp begeleidt Vivara Pro dit traject, van ecologisch onderzoek tot een faunainrichtingsplan waarin de benodigde verblijven al in het ontwerp zijn opgenomen.

Kenmerken van de gewone dwergvleermuis

Je herkent een gewone dwergvleermuis aan het kleine formaat, de donkere vacht met zwartbruine oren en snuit, de snelle en grillige vlucht en een echolocatiegeluid rond 45 kHz. Hieronder staan uiterlijk, leefgebied, voortplanting en geluid per onderdeel beschreven.

Uiterlijk en afmetingen

De gewone dwergvleermuis heeft een donkerbruine tot roodbruine rugvacht en een iets lichtere buik. De onbehaarde huid van snuit, oren en vleugels is zwartbruin, wat het gezicht een donker masker geeft. De oren zijn kort, driehoekig en afgerond, met een stompe tragus, het oorklepje. De vleugels zijn in verhouding lang en smal, wat de soort wendbaar maakt.

Kenmerk Waarde
Kop-romplengte 36 tot 51 mm
Onderarmlengte 28 tot 34,5 mm
Gewicht 3,5 tot 8 g
Spanwijdte 18 tot 24 cm
Leeftijd gemiddeld 4 jaar, maximaal 16 jaar

Bronnen tabel: Zodion (z.d.) en, voor de leeftijd, BIJ12 (2024).

Verwarring is mogelijk met de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus). De ruige dwergvleermuis is iets groter, met een spanwijdte van 23 tot 25 cm (Ecopedia, z.d.-a) en een vaak warrige vacht. De kleine dwergvleermuis is iets kleiner en heeft een vacht met een rood-oranje gloed en een bruine snuit. In het veld maakt het geluid op de batdetector het onderscheid meestal duidelijker dan het uiterlijk.

Afbeelding van een vleermuis in de spouw van een huis
Gewone dwergvleermuis | 2

Leefgebied en voedsel

De gewone dwergvleermuis leeft vooral in de bebouwde omgeving, zowel in steden als op het platteland. De soort komt veel voor waar bebouwing grenst aan groen, zoals parken, tuinen, loofbossen, houtwallen en beschut water. Verblijfplaatsen zitten bijna altijd in of aan gebouwen: woningen, flats, bedrijfspanden en kerken, maar ook bruggen, sluizen en woonboten. De dieren gebruiken een netwerk van tientallen verblijfplaatsen verspreid over een dorp of wijk en verhuizen daar regelmatig tussen.

Om te jagen volgt de soort lijnvormige structuren zoals bomenrijen, heggen, lanen en watergangen met begroeiing. Die bieden beschutting tegen wind, een insectenrijke luwte en houvast voor de echolocatie. De dieren jagen op 1 tot 8 m afstand van de vegetatie, meestal op 2 tot 5 m hoogte, en soms rond straatlantaarns waar insecten op afkomen. Bij verblijfplaatsen en vliegroutes is juist donkerte van belang. Invliegopeningen zonder directe of indirecte verlichting als kenmerk van een geschikte verblijfplaats.

Op het menu staan kleine insecten die in de vlucht worden gevangen: dansmuggen, kriebelmuggen, schietmotten, gaasvliegen, haften en kleine nachtvlinders. Een kraamkolonie van zo’n 70 dieren vangt meer dan 14 miljoen muggen per jaar.

Voortplanting en kraamkolonies

Vanaf april verzamelen vrouwtjes zich in kraamverblijven: verblijfplaatsen waar ze hun jongen krijgen en grootbrengen. Een kraamkolonie telt twintig tot meer dan 300 volwassen vrouwtjes en verspreidt zich vaak over meerdere gebouwen. Tussen begin juni en half juli krijgt elk vrouwtje doorgaans één jong, een tweeling is in Nederland zeldzaam. Ongeveer zes weken na de geboorte is het jong zelfstandig en valt de kolonie uiteen. Daarna volgt de paartijd, globaal van half augustus tot half oktober.

Kraamverblijven zijn extra kwetsbaar. Verstoring tussen half mei en half juli leidt tot het achterlaten en sterven van jongen of tot een miskraam. Bij sloop, renovatie of na-isolatie moeten vervangende verblijven daarom op tijd geplaatst zijn, zodat de dieren ze kunnen vinden voordat de bestaande plek verdwijnt. Tijdelijke kraamkasten vangen die functie op tijdens de bouwfase. Dat heet mitigatie: een maatregel die de gevolgen voor een beschermde soort voorkomt of beperkt.

Gewone dwergvleermuis | 3

Geluid en baltsgedrag van de gewone dwergvleermuis

De gewone dwergvleermuis oriënteert zich en jaagt met echolocatie: het dier stoot ultrasone roepen uit en vangt de echo’s op. Voor het menselijk oor zijn die roepen niet hoorbaar, met een batdetector wel. De piekfrequentie ligt in open terrein tussen 42 en 45 kHz en in een besloten omgeving tussen 45 en 50 kHz. De ruige dwergvleermuis roept gemiddeld lager, rond 36 tot 41 kHz, de kleine dwergvleermuis hoger, rond 55 kHz. Omdat de frequentie per vliegsituatie verschuift, is een opname met sonogramanalyse nodig voor een betrouwbare determinatie.

In de nazomer en herfst bezetten mannetjes een paarterritorium van 0,2 tot 3 ha rond hun paarverblijf. Met een sociale roep, de baltsroep of werfroep, lokken ze vrouwtjes. Anders dan de ruige dwergvleermuis, die vanaf een vaste plek roept, roept de gewone dwergvleermuis vooral in de vlucht, vaak langs een vast traject langs gevels. De roep bestaat uit gemiddeld vier korte delen met een piekfrequentie rond 18 tot 19 kHz.

Voor ecologisch veldonderzoek is het baltsgeluid waardevol. Het wijst op een paarverblijf in de directe omgeving en daarmee op actief gebruik van de locatie. Het vleermuisprotocol gaat voor paarverblijven uit van twee veldbezoeken tussen half augustus en 1 oktober.

Waar overwintert de gewone dwergvleermuis?

De gewone dwergvleermuis overwintert in gebouwen, globaal van november tot en met maart, vaak samen met tientallen tot duizenden soortgenoten in een massawinterverblijfplaats. Anders dan veel andere vleermuissoorten kiest deze soort in Nederland geen ondergrondse plekken zoals bunkers of mergelgroeven, maar bovengrondse gebouwen met een groot bouwvolume en dikke muren. Denk aan flats, kantoren, kerktorens en gebouwen met matig of niet geïsoleerde spouwen of koude daken, waar warmtelekken de ruimte grotendeels vorstvrij houden. In zachte periodes, boven 8 tot 10 °C, kunnen de dieren ook ‘s winters jagen.

Wat is een massawinterverblijfplaats?

Een massawinterverblijfplaats is een locatie waar grote aantallen gewone dwergvleermuizen samen overwinteren. BIJ12 hanteert op basis van expertoordeel een ondergrens van 15 dieren, de grootste verblijven herbergen duizenden dieren. De vrouwtjes komen uit meerdere kraamkolonies uit de wijde omtrek. Aantasting van zo’n gebouw raakt daardoor niet één lokale groep, maar de populatie op regionaal niveau. BIJ12 rekent alle massawinterverblijfplaatsen en kraamverblijfplaatsen tot de belangrijke verblijfplaatsen van de soort.

Zo’n verblijf is van buiten vaak onzichtbaar, omdat de dieren diep in de constructie wegkruipen. Het beste moment om het op te sporen is van begin augustus tot half september, wanneer de dieren ‘s nachts bij de ingang zwermen. Voor gemeenten is dit relevant bij grootschalige renovatie en verduurzaming van flats en maatschappelijk vastgoed, omdat juist die gebouwen een massawinterverblijf kunnen herbergen. Een soortenmanagementplan (SMP) op basis van gebiedsgericht onderzoek brengt zulke verblijven wijkbreed in beeld, zodat maatregelen per wijk kunnen worden gepland in plaats van per pand.

Gewone dwergvleermuis en rabiës: wat is het risico?

Het risico is zeer klein. Bij de gewone dwergvleermuis is het European Bat Lyssavirus (EBLV), de vorm van rabiës die bij Europese vleermuizen voorkomt, in Nederland nooit aangetoond. Volgens het RIVM is EBLV in Nederland alleen gevonden bij de laatvlieger (EBLV-1) en de meervleermuis (EBLV-2), en is de afgelopen jaren alleen EBLV-1 vastgesteld, steeds bij laatvliegers. Overdracht op mensen kan alleen via speeksel, dus bij een beet, krab of lik.

Omdat vleermuissoorten lastig van elkaar te onderscheiden zijn, geldt voor elke vleermuis hetzelfde advies: pak het dier nooit met blote handen op. Ecologen en uitvoerders die bij sloop of renovatie vleermuizen kunnen tegenkomen, werken volgens een ecologisch werkprotocol, met handschoenen en onder begeleiding van een vleermuisdeskundige. Word je toch gebeten of gekrabd, neem dan dezelfde dag contact op met de huisarts of GGD.

Gewone dwergvleermuis | 4

Verblijven voor de gewone dwergvleermuis

Geschikte verblijven voor de gewone dwergvleermuis zijn nauwe, tochtvrije ruimtes met een ruwe binnenkant en een smalle invliegopening, hoog in de gevel en vrij van verlichting. BIJ12 (2024) noemt als kenmerken van natuurlijke verblijfplaatsen onder meer ademend materiaal zoals hout, steen of houtbeton, een temperatuurverschil binnen het verblijf, een ruwe landplek bij de opening en een aanvliegroute zonder takken, steigers of andere obstakels. Welk type voorziening past, hangt af van de situatie.

Type verblijf Toepassing Functie
Inbouwstenen Nieuwbouw en renovatie, ingemetseld in de gevel Permanent verblijf, integraal onderdeel van het gebouw
Gevelkasten Op bestaande gevels Permanente compensatie
Paalkasten Openbare ruimte, waar geen geschikte gevel beschikbaar is Permanente compensatie
Boomkasten Parken, groengebieden en bosranden Aanvulling op het netwerk, vooral als zomer- of paarverblijf
Kraamkasten Tijdens sloop, renovatie of na-isolatie Tijdelijke mitigatie

Compensatie betekent het aanbieden van vervangende verblijfplaatsen als bestaande verblijfplaatsen verdwijnen. Omdat de soort een netwerk van verblijfplaatsen gebruikt en tussen plekken wisselt afhankelijk van temperatuur, sluit een combinatie van meerdere voorzieningen op verschillende gevelzijdes beter aan bij het gedrag van de soort dan één losse kast. Ook de locatie telt: in Duits onderzoek werden nieuwe verblijfplaatsen in gebouwen waar al vleermuizen zaten binnen zes maanden in 77% van de gevallen in gebruik genomen, tegenover 29% in gebouwen zonder eerder gebruik (Simon et al., 2004, zoals geciteerd in BIJ12, 2024).

Voorbeelden uit het assortiment zijn de IB VL 06 Vleermuis inbouwkast, die is afgestemd op het waalformaat zodat hij zonder aanpassing van het metselwerk in de gevel past, en de VK SK 08 Vleermuis paalkast set. Die paalkastset is geschikt bevonden door Zodion Zoogdieronderzoek Nederland en conform BIJ12. De drie compartimenten hebben elk een ander microklimaat, zodat de kast als kraam-, zomer- en paarverblijf kan dienen.

Van advies tot monitoring: bescherming in vier stappen

Bescherming van de gewone dwergvleermuis begint vóór het ontwerp en loopt door tot na de oplevering. Vivara Pro is Europa’s grootste producent van nestvoorzieningen voor beschermde diersoorten en begeleidt dat traject in vier stappen.

  1. Advies & ontwerp. We voeren het verplichte ecologisch onderzoek onder de Omgevingswet uit, ondersteunen bij de vergunningsaanvraag en stellen een faunainrichtingsplan op waarin de benodigde verblijven in het ontwerp zijn opgenomen. Lees meer over Advies & ontwerp
  2. Plaatsing. Eigen uitvoerende teams plaatsen tijdelijke voorzieningen tijdens de bouwfase en permanente voorzieningen in of aan het gebouw.
  3. Onderhoud & beheer. Periodieke controle en onderhoud houden de verblijven toegankelijk en bruikbaar.
  4. Monitoring & effect. Sensoren, AI-modellen en een dashboard laten zien of en wanneer de gewone dwergvleermuis de verblijven gebruikt. Lees meer over Monitoring & effect

Voor gemeenten is die laatste stap belangrijk. Het kennisdocument van BIJ12 (2024) besteedt een aparte paragraaf aan monitoring, en het bevoegd gezag kan monitoring als voorwaarde aan een omgevingsvergunning verbinden. Met meetgegevens over bezetting kun je richting provincie, bestuur en bewoners aantonen dat maatregelen hun functie vervullen.

Afbeelding van de werkbus van Vivara Pro.
Gewone dwergvleermuis | 5

OP ZOEK NAAR DESKUNDIG ADVIES?

Neem dan even contact met ons op. Onze ervaren adviseurs helpen je graag verder

Gewone dwergvleermuis | 6
Copyright Vivarapro
Sitemap

Highlight

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

VK SK 04 Vleermuis paalkast inclusief houten paal

Product bekijken
VK WS 18 Mops Vleermuiskast | 9

VK WS 18 Mops Vleermuiskast

Product bekijken

Highlight

UK ST 01 Steenuil nestkast | 11

UK ST 01 Steenuil nestkast

Product bekijken
Huiszwaluwtil

HT HZ 01 Huiszwaluwtil inclusief paal

Product bekijken